Epilepsie


Epilepsie is één van de meest frequent voorkomende chronische neurologische aandoeningen in Nederland.

Kenmerkend zijn de spontane (niet-geprovoceerde) epileptische aanvallen (toevallen, insulten). We spreken van epilepsie als de aanvallen zich, zonder duidelijke reden, ten minste tweemaal binnen een jaar hebben voorgedaan. De klinische verschijnselen bestaan uit voorbijgaande abnormale verschijnselen die kunnen bestaan uit: bewustzijnsveranderingen, motorische, sensibele, autonome en/of psychische verschijnselen.

De aanvallen worden veroorzaakt door een verstoring van de normale functie van de hersenen: er ontstaat abnormale elektrische activiteit. Epileptische aanvallen kunnen een breed scala aan achterliggende oorzaken hebben. De sterke onvoorspelbaarheid van het moment van het optreden van de aanvallen is een belangrijk kenmerk van de ziekte.

 

Epileptische aanvallen kunnen sterk verschillen in ernst en frequentie Sommige patiënten hebben tientallen aanvallen per dag; andere hebben slechts zelden een aanval. Lang niet altijd zal een patiënt met epileptische aanvallen ook vallen: de term ‘vallende ziekte’ voor epilepsie is dus eigenlijk onjuist. Soms is de aanval zo subtiel dat men deze gemakkelijk over het hoofd ziet. In een ander geval kan de aanval zo hevig zijn dat de niet-ingewijde toeschouwer zal denken dat de patiënt doodgaat. Er zijn dan ook patiënten die regelmatig gewond raken bij een aanval. Voor patiënten met chronisch recidiverende aanvallen is de ziekte zeer ingrijpend.

 

Er zijn twee soorten aanvallen:

 

Partiële aanvallen (±70%): zo genoemd omdat ze in een bepaald deel van de hersenen plaatsvinden. Dit zijn meestal lichte aanvallen, waarbij men niet buiten bewustzijn raakt.

 

Gegeneraliseerde aanvallen (±30%): hierbij doen alle delen van de hersenen mee. Er treedt bewusteloosheid op (deze is soms zeer kortdurend). 

 

 

Wat te doen bij een epileptische aanval

 


  • blijf bij de betrokkene zolang de aanval duurt en houd toeschouwers op een afstand;
  • voorkom dat de betrokkene zich tijdens de aanval (nog verder) verwondt;
  • zorg dat de betrokkene op een veilige plaats ligt, bijvoorbeeld uit de buurt van vuur en water;
  • leg iets zachts (plat kussentje, jas of iets dergelijks) onder het hoofd;
  • neem eventueel bril en horloge af om beschadigingen te voorkomen;
  • zorg dat de ademhaling zo min mogelijk gehinderd wordt:
  • maak kledingstukken rond de hals los,controleer, zodra de spiertrekkingen ophouden en de persoon slap wordt, of er geen prothese in de mond zit, leg de persoon tijdens de spierverslapping op de zij; eerder is vrijwel niet mogelijk en ook niet zinvol, omdat de spieren toch verkrampt zijn en de tong dus niet achterwaarts kan zakken.

Wat niet te doen:

 

Probeer nooit iets tussen de tanden te stoppen. Als men ontdekt dat er een aanval is opgetreden, bestaat de kramptoestand reeds. Iets tussen de tanden steken kan dan slechts met geweld geschieden. Het gevaar bestaat dat men de tanden of de kaak breekt. De tongbeet is dan toch reeds een feit. Overigens geneest dit laatste meestal binnen enkele dagen.

Tracht nooit de bewegingen van betrokkene te stoppen. De bewegingen zijn zeer krachtig en men loopt het risico botbreuken of spierscheuren te veroorzaken

Bel niet direct een ambulance, dit is zelden nodig. Doe het alleen bij ernstige verwondingen of als de persoon er zelf om vraagt.